donderdag 6 augustus 2020

DE BRUGGENBOUWERS VAN TE WERVE

Met een brug met je toch altijd blijven opletten: is ie nog sterk genoeg?

In het Italiaanse Genua kunnen ze daar van alles over vertellen. Maar op Te Werve blijven we alert. De acht bruggen op het terrein worden regelmatig geïnspecteerd, hersteld, geverfd, gelakt. De zeventiende-eeuwse monumentale Poortbrug – de oudste brug in Rijswijk - is al in 2016 grondig gerestaureerd. Kort daarop is de houten brug bij het pomphuisje vervangen. Nu was de beurt aan de voorste brug over de Seringengracht: een complete vervanging. Hij ligt er weer mooi bij; de stalen binten glimmen bijkans nog, de duurzame planken stralen in de zomerzon. De bouwploeg wist het zweet van het voorhoofd, maar blijft er verder stoïcijns bij: een klus is een klus. Die klaar je.

Foto Rob Mostert

Bruggen zijn altijd een verbinding tussen twee delen. Dat geldt zeker voor deze fraaie brug, die zich met een bescheiden boogje over de romantische Serpentinegracht vleit om wandelaars te leiden van het Pad van Labouchere naar het open Plein voor het Landhuis. Een gracht die zich - geheel in de eind achttiende-, begin negentiende-eeuwse stijl van de Engelse Tuin - als een zwierige slinger beweegt lang een keur van geurende planten, exotische bomen en kwakende kikkers die kalm blijven kijken naar smakelijke libellen die zoemend rond de bloeiende waterlelies de aandacht trekken van de verwende mijmerende wandelaar. U begrijpt nu meteen waarom Te Werve de meest populaire trouwlocatie van Zuid-Holland is! En hoe belangrijk dus de brug.

Genoeg romantiek voor dit moment. De Zaagploeg – Aad, Cees, Henk, nog een Henk, Ben, Max (hun leeftijden houden ze angstvallig geheim, maar neem van ons aan dat het hier gaat om een gecumuleerde ervaring van zeker drie eeuwen) – heeft de klus geklaard in slechts twee weken. Zij worden bij dit werk direct opgevolgd door Ruud, onze houtdeskundige en leuningspecialist die gaat zorgen voor stevig houvast aan beide zijden van de brug. Een knap staaltje werk van deze vrijwilligers!

 Voor de geschiedschrijvers onder ons: de drie bogen zijn van gegalvaniseerd staal, de brugdelen van duurzaam en schimmelbestendig bankiraihout. Dat alles gefixeerd met 280 slotbouten en stalen kikkers. Dat zit geheid goed voor de komende vijfentwintig jaar!

6-8-2020 MvL


dinsdag 28 juli 2020


SMITH, VOOR AL UW KLUSSEN

Of het nu gaat om het verkopen van ijs, het opduiken van granaten, het houden van toezicht of het snoeien van wilgen: voor al die klussen is hij uw man. Onthoud de naam: Wim Smith, een all rounder bij uitstek.
Misschien dat u al vijf jaar op Te Werve komt. Tien jaar misschien, of zelfs vijfentwintig.
Prima, heel mooi! Maar het haalt het niet bij onze vrijwilliger Wim die al zeker 65 jaar te vinden is op het landgoed. Hij is er nog net niet geboren.


Op z’n vijfde zet Wimpie zijn eerste stappen op Te Werve, vader werkt bij de Shell, het gezin maakt met veel plezier gebruik van de recreatiemogelijkheden van het gebied. Hij blijkt een waterratje dat graag in het Meer duikt. Een begaafde leerling van zwemleraar Croese, die hem het fijne leert van school-en rugslag, crawl en duiken. Op een gegeven moment duikt de jonge sportman zowat elke ochtend in het water. Maar eerst langs Japie de Portier zien te komen. En dat is geen gemakkelijke barrière leert Wim al snel. De man die hem elke dag langs ziet komen weigert de toegang als ie op een ochtend zijn Te Werve-lidmaatschapskaart is vergeten. Ja, Wim heeft geen makkelijke jeugd gehad! En dan het water in: “Als kind vond ik het water altijd zo koud, ik stond te bibberen” zegt ie nu met een grijns. Maar hij hield stug vol. ’s Winters ging ie met de Bataafse Zwemvereniging van Te Werve zelfs naar De Regentes om verder te trainen. Elke derde zaterdag van augustus deed Wim mee aan de 1 kilometer langebaanwedstrijd. De zondag daarna waren er de meerprestatiewedstrijden. Met die ervaring werd ie een succesvol waterpoloër. Toen ie een jaar of 10 was haalde hij méér uit het water dan de wedstrijdbal: samen met een vriendje vonden ze onder de duikplank een mooi glimmend voorwerp. Met vereende krachten legde ze vondst op de wal: een heuse granaat! “Nooit heb ik de zwemmers zó snel het water zien verlaten!” De granaat is op deskundige wijze onklaar gemaakt en afgevoerd. Wees niet bang: ze liggen er niet meer. De Mijnopruimingsdienst heeft een aantal malen het Meer minutieus doorzocht en alles opgeruimd. Later is het Meer zelfs nog voor een deel leeggepompt, zodat er langs de oever een paar meter droog kwamen te liggen en alles nauwgezet onderzocht kon worden op munitie. Hoe dat er kwam? De nazi’s hebben een aantal keren vis uit het Meer gevangen door er een granaat in te gooien en tegen het eind van de oorlog heeft de RAF nogal wat afgevuurd op het Landhuis waarin de SS huisde. Landhuis gemist, tuinmuur en kastanjeboom wel geraakt en ook het Meer.

Inmiddels was Wim op zonnige dagen tussen het zwemmen door ook ijsverkoper op Te Werve. Stilzitten is zijn stijl niet. Nog steeds niet; elke dinsdagmorgen werkt hij met een ploegje vrijwilligers op het terrein: wilgen knotten, struweel maaien, schoffelen, paden schonen. En op de andere dagen kun je hem aantreffen als toezichthouder: “Mag ik even uw lidmaatschapskaart zien”? Zou ie dat van Japie de Portier hebben geleerd?                

MvL 26-7-2020

maandag 13 juli 2020



VREEMDE SNUITER AAN DE WATERKANT

Het gebeurt niet elke dag, maar wel regelmatig: dat er vreemde snuiters lopen over het terrein. Bij sommigen ben je geneigd te denken: “wat mot dat?”. Bij anderen is er vooral verbazing: “Hé, hoe kom jij hier?”. Dat laatste geldt zeker voor de vogel die begin juli een paar keer werd waargenomen. Niet alleen op Te Werve, maar ook in de omgeving van ons landgoed: een zwarte reiger.



Een zwarte reiger, dat wekt verbazing. We kennen allemaal de blauwe en de witte. De eerste is een vaste klant van ons. Ze staan graag langs de rand van het meer, een beetje op afstand van elkaar, maar wel zo dat ze elkaar in het oog kunnen houden. Onverminderd stoïcijns: vooral niet laten merken dat je scherp in de gaten houdt wat er in je omgeving gebeurt. Als je achter een reiger langsloopt draait de kop langzaam mee, tot de rek eruit is. Dan wordt heel snel over de andere schouder verder gekeken.
De witte reiger laat zich niet gauw op Te Werve zien, maar is geen zeldzaamheid in Zuid-Holland.

En dan ineens staat daar, aan de rand van de slotgracht, vlak voor de bamboe tegenover de keuken van het Landhuis, een zwarte reiger. Ik weet uit ervaring dat de onze koks echt voortreffelijk koken, maar dat kan de reden niet zijn van de komst van deze vreemde vogel.

Toch maar eens even zoeken in de vogelboeken. De zwarte reiger bestaat wel degelijk, maar…. niet in onze contreien. Het is een bewoner van het midden van Afrika, over de volle breedte van dat continent ten zuiden van de Sahara. Ook in het oosten van Afrika en op Madagaskar is de vogel thuis. Alles kan natuurlijk en iedere vogel is welkom, maar dat dit een echte Afrikaan is, dat geloven we niet.

Waarschijnlijker is dat het gaat een blauwe reiger met melanisme. Dat is het tegenovergestelde van albinisme. Gaat het bij dat laatste om een gebrek aan pigment, bij melanisme is er juist een teveel van. Het komt weinig voor, maar echt zeldzaam is het niet. Bij zeehonden en herten is het bekend. En we kennen het allemaal van schapen: het zwarte schaap. Ook bij vossen komt het voor; zwarte vossen worden dan heel chique zilvervos genoemd.
Voor dat melanisme als verklaring gelden een paar argumenten. Onze eigen vreemde vogel heeft duidelijk toch iets meer wit op zijn kop dan een echte zwarte reiger. Het tweede argument is de houding van onze vogel: zwarte reigers spreiden hun vleugels uit bij het foerageren. “Klokreigers” worden ze daarom in het Duits wel genoemd. Onze reiger hebben we zo niet zien staan.  

Nou ja, het blijft gissen. Een bijzondere ervaring was het wel. Ook een medewerker van het hoveniersbedrijf - toevallig werkzaam op ons terrein - was de vogel direct opgevallen. Hij heeft er meteen een foto van genomen. Bedankt Ger!

MvL 13-7-2020                 

   

donderdag 2 juli 2020



BLAUWALG AANPAKKEN – EXPERIMENT OP TE WERVE
“Zwemwater gesloten wegens blauwalg”, een bekend bericht in de zomer. Ook het Meer van Te Werve is niet vrij van zulke algen. Maar… er gloort hoop. Op 1 juli 2020 is op Te Werve een experiment gestart om de blauwalg op een nieuwe manier te bestrijden.

Vreemd eigenlijk, die naam. Want de blauwalg is niet blauw maar groen. De deftige naam van de plaaggeest is cyanobacterie. Geen nieuweling: het is een bacterie die waarschijnlijk al meer dan 3 miljard jaar bestaat. Maar van recenter datum is de veelvuldige overlast. Als het warm is – en dat is het steeds vaker – dan kunnen blauwalgen zich snel en sterk vermeerderen. Warmte is op zich nog niet genoeg, er moet ook voedsel zijn voor de alg: stikstof en fosfaten. En dat is er steeds meer. Over stikstof hoeven we u niets te vertellen, daar staan de kranten dagelijks vol van. Fosfaten komen uit meststoffen. Je herkent de sterke algengroei aan de slierten op het wateroppervlak. Zulke grote hoeveelheden zien er niet gezond uit en dat zijn ze ook niet. De alg produceert giftige stoffen die je maar beter niet op je huid kan krijgen, laat staan in je lichaam. Misselijkheid, hoofdpijn, pijn in de ogen. Alle reden om de overmaat aan blauwalg tegen te gaan. Ook de Europese richtlijn voor zwemwater vraagt om actie.



Op de foto is te zien hoe de containers in het water worden geplaatst.


Maar de bestrijding van de alg is geen sinecure. Er is in ons land al van alles geproduceerd: het water continu in beweging brengen, er lucht in blazen, ultrasone trillingen, besproeien, driehoeksmosselen uitzetten, een meer leegpompen en de bodem met fosfaten en nitraten afgraven (zoals elders in Rijswijk is gedaan). Toch is het ei van Columbus nog niet gevonden. Des te interessanter is het experiment op Te Werve.  Op verzoek van de hengelsportvereniging en de zwemvereniging heeft het Hoogheemraadschap een nieuw idee van Arcadis uitgewerkt om de fosfaten uit het water te halen. Joep de Koning van het Hoogheemraadschap vertelt met enthousiasme: “Het water wordt onder hoge druk door een grote zak (zie foto) met ijzerzand geleid. Dat zand neemt de fosfaten op. Of en hoe succesvol het is gaan we meten. De visclub en de zwemvereniging nemen de watermonsters, wij gaan die analyseren. Hoe snel het proces gaat en hoelang het ijzerzand fosfaat opneemt moet in de praktijk blijken. Misschien moeten de korrels ijzerzand al na twee maanden worden vervangen, misschien gaan ze twee jaar lang mee”. Op 1 juli zijn de twee containers in het meer gezet. De zakken hangen daaronder, diep in het meer.
Het Hoogheemraadschap en de Provincie Zuid-Holland financieren het experiment.  
En nu maar hopen dat de blauwalg fors wordt teruggedrongen. Spannend!
     
MvL2-7-2020

woensdag 17 juni 2020

HEIMWEE NAAR HET LEVEN OP TE WERVE

Te Werve heeft vele bewoners gehad. De landheren en hun gezinnen, maar natuurlijk ook personeel dat op het terrein woonde. Hoe was dat leven? Dagboeken zijn er nauwelijks, maar via achterkleinkind Eddie van Roon kunnen we toch een uniek inkijkje krijgen! 

Johannes Coenraad Werner was geboren en getogen in Opijnen, idyllisch gelegen in de Tielerwaard aan de Waal. Met tuinbouw en fruitteelt was hij van kinds af aan in aanraking gekomen. Eind jaren zeventig van de 19e eeuw zocht hij zijn geluk ver van huis, in het stedelijke westen van het land. Daar ontmoette hij Petronella Biesmeijer, uit het centrum van Delft. Destijds al een mooie, maar door kleine behuizingen, grachten, industrie en nijverheid stinkende stad. Kort vóór de Eerste Wereldoorlog namen zij als eerste bewoners hun intrek in de tuinmanswoning bij de ingang van Te Werve. 
Voor mijn overgrootvader – ooit begonnen als tuinknecht – ging daarmee op 53-jarige leeftijd een lang gekoesterde wens in vervulling. Wonen en werken kwamen samen op het landgoed. Mijn overgrootmoeder zal niet minder hebben genoten van dit buitenleven. Mijn moeder vertelde me ooit dat haar oma een hele sterke binding had met Te Werve. Haar liefde voor het landgoed kun je je goed voorstellen bij een vrouw die als dochter van een sigarenmaker haar jeugd had doorgebracht in de nauwe bedompte stegen van Delft.  


Intussen industrialiseerde en moderniseerde de wereld in een rap tempo; mijn overgrootouders zagen voor hun ogen veel veranderen. Op Te Werve was er de grote verbouwing van 1910, waar de tuinmanswoning een indirect gevolg van was. En kort daarvoor, in 1909, was begonnen met de afgraving van een onbebouwd stuk grond ten zuiden van het beboste deel van het landgoed. Een indrukwekkende onderneming die resulteerde in het grootste particuliere zwemwater van de regio: De Put. De aanblik van het landgoed werd met het grote meer voor het landhuis heel anders dan daarvoor.

Ook de onderlinge sociale verhoudingen tussen de mensen werden anders. Enerzijds leefde de oude standensamenleving voort. Zo wandelde de heer Labouchere vrijwel dagelijks vanaf zijn landhuis naar het oude stationnetje van Rijswijk. Vandaar nam hij de trein naar zijn aardewerkfabriek De Porceleyne Fles in Delft. De tuinlieden hadden de opdracht het paadje waarover hij liep (het huidige Pad van Labouchere) wekelijks onberispelijke schoon te maken. Anderzijds werden sociale barrières geslecht; personeel werd mondiger. Mijn overgrootvader zal vreemd hebben opgekeken toen de jonge tuinknecht Nico Hauser het niet pikte dat hij niet dezelfde loonsverhoging kreeg als de oudere tuinlieden. Nico dreigde met ontslag en kreeg uiteindelijk zijn gelijk.

Na de komst van de Bataafse Petroleum Maatschappij verhuisden mijn overgrootouders in 1924 naar de net aangelegde Geraniumstraat, waar hun twee zonen een bouwbedrijf waren begonnen. De drukte in de nieuwe straat zal het oudere echtpaar niet altijd even gemakkelijk zijn gevallen. In 1929 overleed mijn overgrootvader. Slechts enkele maanden later mijn overgrootmoeder. Toeval? Een gevolg van verdriet om het verlies van haar man? Of speelde er meer? Vlak na zijn dood verhuisde ze naar de Beetsstraat in Spoorwijk, een ander deel van de uitdijende stad. Ruim vijf kilometer weg van haar zonen, maar via het Julialaantje slechts een half uurtje lopen naar haar geliefde landgoed…...

Eddie van Roon 

14-6-2020
Met dank aan Guyon Labouchere, Bart Tent, Mike Werner, Rens Werner en Lia Boshoven (Rijswijks Historisch Informatiecentrum). Bron: particulier archief A.W.J. Meijer (nr. 828) in Gemeentearchief Schiedam. Zie ook: Hovenier als tuinbaas, www.historie-hovenier.nl
  

maandag 8 juni 2020


WEER OPGEDOKEN: DE BIJ EN DE MAMMOET

Elk voorjaar laat een explosie van planten zien op Te Werve. Krijg je in de winter de indruk dat er nooit meer iets gaat groeien op de kale vlakte, een paar weken later spuit het groen de grond uit.
Het begon met een tapijt van sneeuwklokjes en krokussen. Vooral de klokjes bleven lang staan; dat komt doordat er verschillende soorten staan die niet allemaal tegelijk ontluiken. Snel opgevolgd door duizenden gele narcissen. Vervolgens werd er een kamerbreed tapijt uitgerold van daslook, méér dan we de afgelopen jaren hebben gezien. Wat een heerlijke lichte geur in grote delen van het park.
Jammer dat fluitenkruid niet kan fluiten: het geluid zou in heel Rijswijk te horen zijn geweest. Als dat nog eens zou kunnen! Inmiddels is het tijd voor andere soorten. Minder algemeen, maar heel bijzonder. We nemen er twee onder de loep: een kleine en een hele grote.



De opkomst van de bijenorchis was een aangename verrassing. Op het landgoed staan nogal wat orchideeën, maar de bijenorchis was al sinds 2014 niet meer gezien. En dit jaar was ie ineens terug: zeker 15 exemplaren. We zeggen niet waar ie staat; de praktijk leert dat er veel mensen zijn die van uitzonderlijke planten houden en ze graag een ereplaats gunnen in hun eigen tuin. Maar mooi is ie zeker; onze getalenteerde fotograaf Rob Mostert weet dat als geen ander op beeld te zetten. Dan ziet u ook meteen dat de plant een passende naam heeft.
 


Het kleine formaat van de bijenorchis wordt royaal gecompenseerd door de andere soort die we hier aan bod laten komen: mammoetblad. Die naam is niet misplaatst: z’n enorme bladeren halen met gemak de twee meter. En met een omtrek van 3-4 meter zijn de planten niet te missen. Ze staan aan beide zijden van de serpentinegracht; dat moet ook wel, want aan een gietertje per dag hebben ze bepaald niet voldoende. Bij het geleidelijk uitvouwen van de bladeren hebben we een zucht van verlichting geslaakt. De plant is niet winterhard – hebben we nog winters? – en dus worden elk jaar voor intrede van de winter de enorme bladen gebruikt om de plant af te dekken. We schetste onze verbazing en wanhoop na de laatste maaibeurt van het seizoen: de nieuwe medewerker van een hoveniersbedrijf was er strak overheen gereden. Was onze mammoet uitgestorven? Pfff, gelukkig niet!
  
Foto’s Rob Mostert
MvL 7-6-2020

donderdag 28 mei 2020

LANGE ZOEKTOCHT EINDIGT IN …… PORTIERSWONING TE WERVE

Eén van onze leden is Eddie van Roon. Als historicus is ie flink gaan graven in zijn eigen verleden. Op zoek naar zijn overgrootouders kwam hij – met hulp van Bart Tent – uit bij Te Werve, waar zijn overgrootvader tuinbaas was en woonde in de portierswoning. Hieronder het boeiende verhaal van Ed.

Hans en Grietje-huisje
In de volksmond werd het wel genoemd naar het sprookje, de woning die in 1913 gereedkwam bij de ingang van het landgoed. En zeg nou zelf, dat huisje is toch een sprookje? De eerste bewoners bleken na een lange speurtocht mijn overgrootouders!  

Iedereen die weleens genealogisch onderzoek heeft gedaan, weet dat het in dit digitale tijdperk niet moeilijk is om jaartallen en namen te vinden. Anders is het met het opsporen van de verhalen achter die data. Van voorouders van bescheiden afkomst die een leven leidden zonder uitglijders die hen voor rechtbanken of kerkenraden brachten, zijn weinig documenten terug te vinden. Maar soms lacht het geluk de nieuwsgierige onderzoeker toe. Dat was wat mij overkwam toen ik op zoek ging naar het verhaal achter de jaartallen van mijn overgrootouders van moeders kant: Johannes Coenraad Werner en Petronella Biesmeijer. Johannes Coenraad was in 1858 in het Gelderse Opijnen geboren en tuinman van beroep toen hij in 1885 trouwde met Petronella, dochter van een Delftse sigarenmaker. Mijn moeder had me ooit verteld dat mijn overgrootvader op Te Werve had gewerkt. Maar navraag bij familieleden naar oude brieven, ansichtkaarten, foto’s of wat dan ook, het leverde niets op … Tot ik onverwachts een bericht kreeg van mijn neef Mike Werner uit Canada: “I have a plate that I want you to see”. 

Hij bleek een mooi bewaard gebleven Delfts Blauw bord te hebben met de namen van onze overgrootouders en de jaartallen 1885-1910. Was dit bord de opening naar het verhaal achter de droge jaartallen? Een cadeau voor hun 25-jarig huwelijksfeest? Maar van wie? En waarom Delfts Blauw? Een tweede geluk was dat ik in contact kwam met dé deskundige over Te Werve: Bart Tent. 
Ik wist dat mijn overgrootvader niet voorkwam op een foto uit ongeveer 1885 van eigenaar Willem Anne baron van Pallandt met hondje en tuinpersoneel. Maar Bart kwam met een andere foto waarop mijn overgrootvader stond als tuinbaas! Het werk van een tuinbaas was veelomvattend en een nauwe samenwerking met de heer des huizes een vereiste. 

Een droom werd werkelijkheid
Te Werve was in 1892 gekocht door Abel Labouchere, eigenaar van de Delftse aardewerkfabriek De Porceleyne Fles. Het verband met het bord was snel gelegd. Vooral omdat de – inmiddels - Koninklijke Porceleyne Fles bevestigde dat het bord in 1909 bij hen was handgeschilderd. Op de achterkant staan de jaarcode AE en de initialen van schilder J.T.M. Visser. Hoogstwaarschijnlijk was Labouchere dus de opdrachtgever geweest. De verstandhouding tussen tuinbaas en eigenaar lijkt ondanks het standsverschil uitstekend te zijn geweest. De beste aanwijzing daarvoor is de tuinmanswoning die Labouchere in het verlengde van de grote verbouwing van het landhuis in 1910 liet bouwen. Mijn overgrootvader, zijn echtgenote en hun twee zonen, werden de eerste bewoners. Een droom ging in vervulling: wonen en werken van de tuinbaas liepen van toen af aan door elkaar heen. Mijn overgrootouders bleven daar tot de komst van de Bataafse Petroleum Maatschappij in 1922. Ze zullen al die jaren ongetwijfeld hebben gepronkt met het Delfts Blauw bord aan de muur of op de schoorsteenmantel. Ruim tien jaar leefden ze in een pittoresk huisje op een mooi landgoed niet ver van de langzaam oprukkende stad. Het vertrek zal ze zwaar zijn gevallen…. Daarover later meer.  

Eddie van Roon

23-5-2020