dinsdag 18 februari 2020


DEN HAAG STEVIG IN DE TANG

Een ongelooflijk verhaal: 531 jaar geleden, op 7 ma
art 1489, werd op Te Werve een verdrag getekend dat de stad Den Haag behoedde voor brandschatting door legers uit Rotterdam.  Da’s even een binnenkomer! 



Hoekse en Kabeljauwse twisten, u heeft er vast van gehoord, maar hoe zat dat nou?
Aan het eind van de Middeleeuwen, vanaf ongeveer 1350 tot 1500, was er voortdurend strijd tussen groepen edelen. Rijkdom en macht kon je in die tijd eigenlijk maar op één manier verwerven: met een mooie baan bij de vorst. Keizer, koning, hertog of graaf. De vorsten verdeelden de baantjes onder hun vrienden. Zat je in de verkeerde vriendengroep, dan viste je achter het net. 

In 1345 sneuvelde onze vorst graaf Willem IV bij een veldslag in Friesland. Zijn zus Margaretha van Beieren (echtgenote van de Duitse Keizer Lodewijk van Beieren, ach ja, waarom niet) volgt hem op, maar liet het werk over aan haar 13-jarige zoon Willem V. Vijf jaar later wilde ze de macht terug, maar zoonlief voelde daar niets voor en begon oorlog tegen zijn moeder (ongelooflijk maar waar). De aanhangers van Willem werden Kabeljauwen genoemd (naar de blauwwitte schubben in het wapen van Beieren, zie het vroeger houten maar nu stenen bord op de gevel van het pand Herenstraat 87a “Dit is in Beyeren”). De tegenstanders noemden zich Hoeken (“haken” waarmee je kabeljauwen vangt). Hoeken en Kabeljauwen vochten met elkaar om de gunst van de vorst en daarmee voor de mooie rijk beloonde baantjes: de Hoekse en Kabeljauwse twisten. 
Nadat Willem V opgesloten werd (“krankzinnig”) nam zijn broer Albrecht van Beieren de teugels in handen. Zijn poging de banen eerlijk te verdelen leidde niet tot een einde aan de conflicten. In 1359 was er weer grote onrust, Delft kwam in opstand. Albrecht belegerde Delft en overnachtte zelf in Rijswijk (inderdaad: in de Herenstraat, toen nog een houten huis). Destijds, maar ook later nog, werd felle strijd gevoerd in onze regio. Ook Rijswijk en Te Werve liepen daarbij flinke schade op: massaal in brand gestoken huizen, vernielingen aan het landhuis. 

Ook in de volgende decennia laaide de strijd voortdurend op. Rotterdam was een eeuw later ingenomen door Frans van Brederode, die als Jonker Frans ook omliggende steden wilde veroveren, van Schoonhoven tot Den Haag. Onze grote buur wist echter met Jonker Frans tot een overeenkomst te komen om brandschatting van de stad te voorkomen. Den Haag moest dan wel ”een zomme van twee honderd Rynse guldens” betalen. Elke maand!*
Hmm, eens even uitrekenen. De Rijnse guldens wogen destijds ongeveer 3,4 gram. Het goudgehalte was ongeveer 800/1000. Dat is bij elkaar 544 gram goud. Met een goudprijs van € 41.128 per kilo gaat het dan om ruim € 22.000 per maand. ** De overeenkomst werd op 7 maart 1489 op Te Werve gesloten. 

Rotterdam is nog altijd trots op Jonker Frans. En Den Haag?


*Zie “Rotterdamse heldendaden onder de stadvoogdij van den jongen heer Frans van Brederode, genaamt Jonker Fransen Oorlog”, door Kornelis van Alkemade, Rotterdam 1756.
**Prijs op 9-2-2020. In 1489 was er nog geen goudprijs; het goud was het geld, in de vorm van munten.
Zie ook “Verhalen van Rijswijk”, Lizette de Koning. Stichting Rijswijkse Historische Projecten 2007.

MvL 9-2-2020

maandag 10 februari 2020


Vrienden met veren

Te Werve is een ideaal gebied voor mensen, dat wisten we al. Maar omdat het een gevarieerd terrein is – struiken, bomen, grasland, het meer, gebouwen, geen honden en katten, vaak weinig mensen – is het ook een paradijs voor vogels. Als er iemand is die daar van geniet én veel van weet dan is het Richard Holtkamp wel. Met hem lopen over het terrein. We hebben het over de soorten en over de nestkasten die hij verzorgt. Na afloop vertelt hij nog tal van leuke weetjes, over levensduur van vogels en hun gedrag. Vandaag zullen we het hebben over soorten, in volgende afleveringen over de nestkasten en de ‘weetjes’. 



Je hoeft Richard niet aan te sporen, hij steekt meteen van wal als we een stevig gekras boven ons horen: “Dit is een vogel die we allemaal snel herkennen, de zwarte kraai. Kraaiachtigen zijn brutaal of slim, net wat je ervan vindt. Ze zijn volledig zwart – de kraai en de roek -  of zwart met grijze-witte delen, het kauwtje. De zwarte kraai is graag alleen of met een partner, kauwen vliegen in groepjes en struinen de buurt af op zoek naar alles, maar dan ook álles wat eetbaar is”. Hij is nog niet uitgesproken of er klinkt een harde schreeuw vlak boven ons: een blauwe reiger zeilt met veel bravoure op de oever van het meer af. Het is duidelijk dat ie ons niet direct een lang en gelukkig leven toewenst! Nee, zo’n blauwe reiger zie je niet gauw over het hoofd. Hoog in de bomen op het grote nest, of op het grasland langs het water op zoek naar iets lekkers.

Bij de waterkant komen we nog meer bekende types tegen: de Nijl- of Vosgans. Daarvan lopen er heel wat rond op Te Werve. Richard: “Niet een allemansvriend, is het niet om het eentonige gegak dan wel om de uitwerpselen die overal liggen. Ze kunnen nogal verdedigend zijn om gebied of jongen, klapwiekend en sissend op je afkomen is niet ongewoon! De Nijlgans is oorspronkelijk afkomstig uit Egypte, maar na een lange reis via Engeland ook in ons land neergestreken. Hij heet wel gans, maar eigenlijk is het een eend. Ganzen zijn er overigens meer dan genoeg op Te Werve: brandganzen, rotganzen, Canadese ganzen”. En natuurlijk zijn er eenden; “Veel soorten gebruiken de Put als standplaats of tussenstation tijdens de jaarlijkse trek. Eenden en ganzen kunnen hier waterplanten eten naar hartenlust, ook gras is een goede voedselbron”. Daar gáát ons mooie gazon denk ik maar zeg het niet hardop.

Niet te missen zijn de duiven rond de duiventoren: “Duiven worden ook wel de ratten van de vogels genoemd. In de steden zien we regelmatig duiven die een teen of voetje missen, zijn blijven haken achter een scherp voorwerp waarmee ze helaas te maken hebben, wij mensen gooien veel ‘zomaar’ om ons heen weg, zo kunnen ze blijven leven maar prettig is anders”. In de buurt van het parkeerterrein zien we nog een gaai en twee eksters. Richard: “Ze worden als brutaal weggezet, het zijn omnivoren, vooral opruimers. Wroeten graag tussen bladeren en omgeploegd land om een graantje mee te pikken”. En de mussen? “Hun aantal neemt landelijk sterk af, op Te Werve kom ik ze niet vaak meer tegen. Als je ze ziet dan in groepjes kwetterend op zoek naar eten”.

En dan hebben we het nog niet gehad over de spechten en de roodborsten, de buizerds en de merels, de koolmezen, de pimpels en vele andere: Te Werve is voor Richard een onuitputtelijke bron van verhalen. Daarover meer in een volgend blog.

MvL

30-1-2020

maandag 27 januari 2020



TE KOUD OM TE VRIJEN

Buiten is het koud. Bezoekers van de Vrijersheuvel op het terrein zijn in geen velden of wegen te bekennen. Logisch: wie wil er nou vrijen bij dit weer?
Misschien is dit dan een goed moment om uit te leggen dat de Vrijersheuvel helemaal niet is bedoeld om te vrijen. De heuvel héét ook niet zo. De echte naam is “Kaagberg”. Dat vraagt om enige uitleg.

Het terrein van Te Werve zag er vóór 1910 heel anders uit. Gezien vanaf het landhuis kon je zelfs tot Delft kijken. Allemaal landerijen. Een deel daarvan behoorde tot Te Werve. De eigenaar, Abel Labouchere, besloot in 1910 een deel van het zand te verkopen en liet om die reden het meer graven. Bij dat graafwerk is als grens de sloot aangehouden die liep langs het huidige gazon voor het landhuis. Daarin zat al een bocht: een kromming die om deze heuvel liep. De heuvel was kunstmatig en had een doel: een schuilplaats bieden voor het vee als het weiland onder water liep. Een waardevol bezit. Zo’n verhoging in het landschap heet een kaag. De Vrijersheuvel heet daarom eigenlijk de Kaagberg. De berg is heel bewust gehandhaafd bij het graven van het meer. Een historisch element in het landschap en ongetwijfeld één van de redenen waarom de tuin vanwege zijn “Historische tuin- en parkaanleg” later tot rijksmonument werd verklaard. Daar willen we dus heel erg zuinig op zijn.
Waar die heuvel is? Precies tegenover de voorkant van het pomphuisje met de rood-witte luiken. U heeft achter het heuveltje een prachtig uitzicht op het water.



Het woord “kaag” kennen we allemaal: wie is er nog nooit in Kaagdorp geweest? Of op de Kagerplassen? Al in de dertiende eeuw werd het woord gebruikt in de betekenis van “buitendijks land”. Hollandse Friezen kennen het als koog: Koog aan de Zaan, De Koog op Texel.
Enfin, u bent weer wat wijzer. Graag even luid kuchen als u langs de heuvel loopt…...  

MvL
21-1-2020

donderdag 16 januari 2020

TE WERVE GESLOOPT? DAT SCHEELDE NIET VEEL!

We schrijven 1892. De locatie is hotel Kuijs Witsenburg, op de hoek van de Herenstraat en de Haagweg. Mannen met grote donkere snorren en zwarte hoeden – nors voor zich uit kijkend, de sigaar strak in de mond - komen één voor één het pand binnen. De meesten kennen elkaar; een lichte knik is voldoende. Het zijn opkopers van grote stukken land. Projectontwikkelaars zouden ze later worden genoemd. De notaris heeft al plaats genomen  achter zijn tafel. Een veiling, een belangrijke veiling: grote stukken Rijswijks land worden te koop aangeboden. Bijna 20 kavels. De veilingmeester heet de aanwezigen welkom, vertelt wat er zo al zal worden aangeboden. Het eerste kavel komt aan bod, het tweede, het derde. Langzaam maar zeker vordert de bijeenkomst. 

Dan wordt kavel 15 aangeboden: een stuk grond van 7 hectare, met daarop een huis. Een pand in hele matige staat maar wel aangeprezen als “riddermatige hofstad Huis te Werve”. Interessant voor de projectontwikkelaars: slopen die handel, weg ermee. Ruimte maken voor een nieuwe woonwijk in het dorp Rijswijk. Ze ruiken winst! Maar wie is daar aan het bieden, aan het overbieden zelfs? Ziet die kansen die zij niet zien? De veilingmeester vraagt de aanwezigen om nog een laatste bod, niemand steekt zijn hand omhoog. De hamer komt met een klap neer: “Eenmaal, andermaal, verkocht”.
Pas weken later, bij de afhandeling van de transactie, blijkt wie de man was achter de koper: Abel Labouchere, wonende aan de Oude Delft 141, eigenaar-fabrikant van De Porceleyne Fles.


              
        
 In maart 1893 trekken hij en zijn vrouw in het opgeknapte pand om er dertig jaar te blijven wonen. Abel heeft zijn droom gerealiseerd: royaal wonen buiten de stad. Als kind uit een bankiersgeslacht gewend aan grote statige stadspanden – in Amsterdam, Delft – zoekt hij het liever buiten, in het groen. Later zal hij er nog flink wat grond bij kopen. 
Werken in Delft, wonen in Rijswijk: onze Abel wordt forens. Dagelijks gaat hij vanuit Te Werve lopen over zijn landgoed – het paadje zal later Pad van Labouchere gaan heten – naar het Rijswijks treinstation vlak naast zijn terrein, bij de Van Vredenburgweg. 
Maar als eigenaar en directeur wil hij wel graag altijd bereikbaar zijn. Voor eigen rekening laat hij een telefoonlijn aanleggen van de fabriek in Delft tot aan Te Werve. (Hebben de huizen langs die route om die reden nog altijd “Delftse” telefoon: kengetal 015?).

                                                                          


En zo kwam alles toch nog goed: geen woonwijk (die zou later aan de zuidkant komen) maar een prachtig landgoed, een monumentaal Rijksmonument. 
Helaas eindigde dit sprookje niet met het gebruikelijke “Lang en gelukkig ….”. 
In 1923 verhuisden Abel en zijn vrouw Cornelie de Bruyn Kops (zie foto, geschilderd door de beroemde Thérèse Schwartze) naar Bloemendaal. Een jaar later overleed zij. Nog weer een jaar later kwam zoon Juste om het leven bij een vliegtuigongeluk. Bij een KLM lijnvlucht van Amsterdam naar Parijs raakte de Fokker III een heuvel en verongelukte. In april 1926 hertrouwde Abel Labouchere. Met Pauline Agneta van Wickevoort Crommelin leefde hij nog veertien jaar tot zijn overlijden op tachtigjarige leeftijd, in 1940. 
Hulde aan de man die met zijn aankoop de sloop van Huis Te Werve wist te voorkomen!

MvL, 3-2-2020

Bron: Gyon Labouchere, Abel Labouchere 1860-1940. Stichting Rijswijkse Historische Projecten. Rijswijk, 2007  

donderdag 12 december 2019


DE DUIF EN DE DOPERWT

Wie onlangs op het terrein is geweest kan het onmogelijk zijn ontgaan: de restauratie van de Duiventoren. Met een leeftijd van ruim 550 jaar één van onze oudste rijksmonumenten. Het is niet helemaal zeker is of ie wel als duiventoren is gebouwd. Het onderste deel - tot een meter of twee hoog - heeft namelijk 43 cm dikke muren. Beetje overdreven voor een duivenhok.  Was het een verdedigingstoren? Een deel van een groter bouwwerk? Op dit onderste deel, gebouwd van "Rijswijkers", de roodgele steen die tot ongeveer 1500 in ons dorp werd gebakken, staat een bovenstuk waarvan de muren zo'n 33 cm dik zijn. Is dit bovenstuk inderdaad gebouwd in 1590, zoals een gevelsteen op de toren aangeeft? In ieder geval is wel duidelijk dat het in dat jaar een duiventoren is geworden. Met twee etages, een duivenzolder en een kruisvormig zadeldak, gedekt met rode pannen.
En daar staat ie dan: de oudste stenen duiventoren van Nederland. We kunnen er met recht trots op zijn!



Nu was het vroeger geen sinecure om duiven te houden. Je moest er een vergunning voor hebben! Alleen als je een groot stuk land had - dus rijk was - kon je die krijgen. Te Werve had dat duivenrecht of "recht van duivenslag". Hoe zat dat? Duiven zijn flinke eters. Met een heleboel samen kunnen ze - zoals de Nederlandse Vereniging van Jagers ook vandaag de dag nog op zijn website schrijft - "op land- en tuinbouwgewassen grote schade aanrichten".  Ze zijn vooral verzot op erwten. En dat was in vroeger tijden zeer belangrijk voedsel. Toen Hak nog niet bestond en er nergens supermarkten waren was de bevolking afhankelijk van
voedsel dat houdbaar was tot in de winter en een hoge voedingswaarde had: de erwt. De landheer had zelf een flink terrein nodig om te voorkomen dat de tuinen van de buren werden leeggegeten door zijn gevederde vriendjes.
Wie ooit duiven heeft gehouden weet dat ze in hun nachtverblijf heel veel uitwerpselen deponeren: vruchtbare mest. Dat was belangrijk om het land in goede conditie te houden voor de teelt van allerlei gewassen. Daar kwam nog bij dat in de winter een verse duif een niet te versmaden gerecht opleverde. Honderd duiven kunnen zich in één jaar vermenigvuldigen tot zo'n 250 exemplaren. Daar wisten de koks van Te Werve wel raad mee: wildgebraad werd nooit versmaad! Dat was even wat anders dan muf geworden ingezouten vlees. 
Belangrijke voordelen dus, zo'n toren met duiven. Maar dat ging niet zomaar. Het recht van duiven houden moest je kopen. In de feodale tijd waarover we nu spreken ging dat niet op het gemeentehuis, laat staan per e-mail. Gemeenteraden en burgemeesters bestonden nog helemaal niet. Het landsbestuur bestond uit graven, hertogen en andere leden van de adel. Was je rijk genoeg, of stond je in de gunst van zo iemand, dan kon je ambachtsheer worden en dat recht op duivenslag kopen. Net zoals het recht op zwanendrift, of het recht op vrij uitzicht. Je mocht soms ook rechtspreken, boetes uitdelen en belasting heffen. Lucratief baantje! Het gebied waarover zo'n ambachtsheer de baas speelde noemde je een heerlijkheid; de rechten waren heerlijke rechten.
Ook toen het feodale stelsel werd afgeschaft - denk aan de Nederlandse Grondwet van 1848 - bleven sommige van die heerlijke rechten nog bestaan. Zo werd het recht van duivenslag destijds opgenomen in de Jachtwet. Pas in 1954 - toen velen van ons al rondhuppelden op Te Werve - werd het definitief afgeschaft.


Regelmatig zie je duiven op Te Werve. Ze vliegen er zonder vergunning ..... heerlijk vrij. De doperwten staan inmiddels veilig achter glas; daar kunnen ze niet meer bij!

MvL 8-12-2019

maandag 25 november 2019




PATSERS IN HET PARK


Ze houden zich nu koest, laten zich niet zien, blijven buiten beeld: de rode patsers.
Maar zo halverwege de herfst liepen ze arrogant rond bij de botenloods en het pomphuisje:  Amerikaanse rivierkreeften. 
Wie een tijdje langs de steile waterkant stond zag ze achter elkaar zó uit het water lopen, het pad op gaan. Naar wie of wat? Waarschijnlijk naar een ander water op zoek naar een leuke partner. Alsof wij niet genoeg oppervlaktewater hebben! Maar ja, het gras in de andere weide blijft toch altijd groener.    
Wie 'm ziet zal het direct beamen: dit is geen vriendelijk aaibaar huisdier maar een narrige patser. Rood als een kreeft, maar schaamteloos. Zodra je in zijn buurt komt gaat ie recht overeind staan en bedreigt je met z'n felrode scharen. Met 15-20 centimeter lengte imponeert ie zonder twijfel.
Onze fotograaf Rob Mostert is met z'n camera op de grond gaan liggen om dat mooi in beeld te brengen. (De fotograaf is bij deze actie gelukkig niet gewond geraakt).



Moeten we blij zijn met deze "aanwinst"? Nou nee, deze rode Procambarus clarkii is waarschijnlijk nog niet zo heel lang geleden ergens in Nederland door aquariumhouders of restaurateurs in de dichtstbijzijnde sloot geparkeerd, maar plant zich razendsnel voort. Gecombineerd met z'n vermogen om hele stukken over land te lopen leidt dat tot een snelle verspreiding over een groot gebied. In het water gedraagt ie zich als een beest. De kreeft knipt door wat ie tegen komt: plant of dier. En de holen die net onder de waterlijn worden gegraven leiden tot een flinke aantasting van de oever.
Wat doen we er aan? Sommige mensen zetten graag een kreeftje op hun menu. De rode patser schijnt er heel geschikt voor te zijn. Maar er is ook een ander die er op aast: kraaien.
De hele maand september en oktober waren er twee kraaien die opvallend vaak langs de tent van Te Werve Buiten rond stapten: onmiskenbaar op zoek naar een lekker hapje uit de sloot tussen pomphuis en botenloods. Met een handige manoeuvre van hun snavel kieperden ze de kreeft voorzichtig op zijn rug. Dan kan ie weinig kanten meer op! 
Aan de onderkant zijn kreeften erg kwetsbaar: een kraaiensnack bij uitstek. Hulde aan de zwarte kraai!

MvL 
22-11-2019

donderdag 21 november 2019

DÁÁR HANGT DE KLEPEL!

Al eerder heeft op deze plaats een bericht gestaan over de klokken op Te Werve. Aan het landhuis hangen er twee: de grote "Heerenklok" en de kleine klok. De grote werd gebruikt om de heer of de vrouwe van Te Werve te melden dat het bezoek was gearriveerd. De kleine gaf een signaal aan het personeel van het landhuis. De derde klok hangt op de nok van het Koetshuis; op Monumentendag 2019 is deze weer geluid bij de start van de rondleiding langs de rijksmonumenten op het landgoed. 


Op de grote klok staat de tekst Soli Deo Gloria. En het jaartal 1729. In het randschrift staan verder nog een engel met bazuin,  druiven en granaatappels. Soli Deo Gloria ("alle eer aan god") is onmiskenbaar een religieuze uitdrukking. Nog altijd in gebruik als naam voor talloze koren. De bazuin staat voor de aankondiging van het einde der tijden en het laatste oordeel. De wijn is het symbool van het bloed van Christus. De granaatappels staan voor de opstanding en het eeuwig leven). Géén simpel belletje dus, maar een klok waar veel aandacht aan is besteed.

Op zoek naar de achtergrond van deze klok is onlangs contact opgenomen met Rainer Schütte, conservator klokken van Museum Klok en Peel in Asten.  Rainer Schütte is dé deskundige in Nederland als het gaat om klokken. Hij herkende - aan de hand van bijgevoegde foto - de klok direct als een exemplaar van Jan Albert de Grave, klokkengieter te Amsterdam. Klokken gieten gebeurt in Nederland nu alleen nog  bij Royal Eijsbouts (en tot voor kort ook bij Petit en Fritsen), maar was destijds een stedelijk ambacht. Jan Albert zelf overleed in 1729, maar zijn weduwe zette het bedrijf nog enkele jaren onder de oude naam voort. 

Wie gaf daarvoor opdracht? Eigenaar van Te Werve was destijds Dirc Wuytiers; een zeer  rijke Amsterdammer, die vanaf 1696 woonde op Herengracht 458, een pand dat nu bekend staat als Huis Goudstikker en nog steeds bestaat. Wat blijkt....... dat is op nog geen 1.200 meter afstand van de klokkengieterij! De conclusie dat Dirc Wuytiers de opdracht gaf is toch niet te ver gezocht. Maar waarom? 

Van 1568 - 1648, de 80-jarige oorlog, weet u nog? Een groot conflict tussen katholieken en protestanten. Vanaf 1573 was de openbare uitoefening van het katholicisme verboden. Zo ontstonden schuilkerken. Op Te Werve werd lange tijd de aanwezige huiskapel daarvoor gebruikt.  Vanaf 1594 was het katholicisme zelfs helemaal verboden, maar natuurlijk niet verdwenen. In 1702 leidde dat tot een groot conflict: wie benoemt de bisschoppen? Het centraal gezag in Rome vond dat hun taak; veel katholieken in Nederland vonden dat een taak van het kapittel van priesters in Utrecht. Dat laatste vond ook de Rijswijkse pastoor Van der Maes*. Dat leidde tot grote woede bij Dirc Wuytiers van Te Werve die de lijn van de paus volgde. In 1724 kwam het tot een breuk tussen "Rome" (rooms-katholieken) en "Utrecht" (oud-katholieken). Laatstgenoemden bleven kerken in de schuilkerk aan het Julialaantje. Veel roomskatholieken kozen voor de huiskapel van Te Werve. En een kerk zonder klok.....
Pas in 1784 kregen de Roomsen een eigen gebouw (de Bonifatiuskerk, een kleine voorloper van de huidige). 
Een rustige tijd? Vergeet het maar!

MvL, 21-10-2019.
* Zie ook Lizette de Koning, Verhalen van Rijswijk, 2007.